5 februari. De eerste aankondigingen zijn de deur uit – een buikpijnmomentje - , en we krijgen enthousiaste reacties. Sonja had bijvoorbeeld ‘lang geleden familie wonen in Watergang, in het oude kostershuis. Prachtig oud huis, ze mochten er gratis wonen als ze bereid waren af en toe de kerkklok te luiden’.

Ankie vertelt over haar periode bij de vakbeweging, toen ze een aantal jaren onderhandelde voor de kostersbond. ‘Het ging hen toen wel goed, alleen moest er wel bezuinigd worden en wilden de kerkvoogdijen dat er veel vrijwillig gebeurde. Ik heb toen stad en land afgereisd. Een bezoek staat mij nog heldere voor de geest. Aan een koster in Friesland. Toen ik het dorp binnenreed kon ik het snel vinden, op de muur naast de voordeur hing een groot bord, Koster der Nederlandse Hervormde Kerk. Hij was boer, maar deed ook begrafenissen, etc. En hij praatte, liever gezegd, schreeuwde buitengewoon hard. Alsof hij over de velden riep. We zaten in een klein kamertje, met een tafel tussen ons in en ook daar donderde het om je oren.  Ik moest hem jammer genoeg berichten dat we niets voor hem konden doen. Hij viel door zijn leeftijd net buiten een aantal regelingen. En hij zei toen, en dat vergeet ik nooit, "Och mevrouwtje, ik had zo graag achter de zegekar gelopen". Zo jammer dat we niets konden doen, het was zo'n aardige man. Het kan me nog spijten’.